09 december 2025
Inclusief onderwijs: samen kijken naar wat wél kan
Binnen Librijn is inclusief onderwijs een belangrijk onderwerp. Niet alleen omdat de wetgeving eraan komt, maar vooral omdat het past bij wie we zijn als openbare stichting Librijn: iedereen is welkom. Tijdens het interview met Ewout van Asperdt, schoolleider van Basisschool SpringWijs, werd duidelijk hoe sterk die overtuiging in de dagelijkse praktijk doorwerkt. Inclusief onderwijs is volgens hem geen project, maar een manier van kijken. “Het begint ermee dat je het normaal vindt,” zegt hij. “En dat je steeds opnieuw onderzoekt wat een kind nodig heeft.”
“Het begint ermee dat je inclusief onderwijs normaal vindt.”
Een weg terug
Voor Ewout draait inclusief onderwijs om nabijheid: kinderen zouden zo veel mogelijk in hun eigen wijk onderwijs moeten kunnen volgen. “Reizen naar een plek voor passend onderwijs zou de uitzondering moeten zijn”, zegt Ewout. Tegelijkertijd benadrukt hij dat inclusief onderwijs niet betekent dat álles altijd in het regulier onderwijs moet passen. “Sommige kinderen komen echt beter tot hun recht op een andere plek,” vertelt hij. “En soms is een tijdelijke overstap nodig om tot rust te komen of om handvatten te krijgen die wij op dat moment niet kunnen bieden.”
Een weg terug als volwaardig onderdeel van passend onderwijs vindt hij belangrijk. Zeker bij jonge kinderen die in het SBO starten. “Als zij later toe zijn aan een terugkeer naar het regulier onderwijs, moeten we dat serieus onderzoeken. Het kan niet zo zijn dat er geen plek meer is.”
Vroege signalering
Op SpringWijs wordt veel gedaan om problemen voor te zijn. De school probeert steeds eerder te signaleren wat een kind nodig heeft, zodat leerkrachten niet pas in actie hoeven te komen als het vastloopt. Ewout: “Zo begeleiden we leerlingen voor wie we mogelijke belemmeringen verwachten in groep 3, al in groep 2. Daardoor kunnen zij met een stevige basis starten in groep 3, in plaats van dat er eerst wordt afgewacht. We zien dat dit rust geeft, zowel bij leerlingen als bij leerkrachten.”
“Zo vroeg mogelijk signaleren geeft rust, zowel bij leerlingen als leerkrachten.”
Die aandacht voor vroegtijdige signalering hangt samen met een bredere visie op kindontwikkeling. “Niet het label is leidend, maar wat een kind laat zien. Classificaties kunnen soms helpend zijn, maar dienen nooit als uitgangspunt. Het gaat erom dat je voorbij het gedrag kijkt,” legt hij uit. “Waarom doet een kind wat het doet? Wat zit er achter het gedrag of de resultaten? Kijk vervolgens wat het kind en de leerkracht nodig hebben en welke ondersteuning daarbij past.”
Ondersteuning vanuit het team
Op school is veel expertise aanwezig: leerkrachten met extra kennis van gedrag, specialisten op het gebied van meer- en hoogbegaafdheid en collega’s die meekijken bij sociaal-emotionele vragen. Ewout ziet hun rol vooral als waardevol sparringpartner. “Ze zijn er niet alleen om beleid te schrijven, maar ook om collega’s te ondersteunen. De leerkrachten moeten het tenslotte doen, in de klas.”
Binnen het team wordt die ondersteuning als prettig ervaren: er wordt naar elkaar geluisterd, er is ruimte voor vragen en niemand staat er alleen voor. Dat zorgt voor stabiliteit in de groepen en voor een stevige basis om maatwerk te geven. Kinderen merken dat ook. “Ze worden weer blij,” zegt Ewout. “En dat is misschien wel het belangrijkste signaal dat het werkt.”
Grenzen mogen er ook zijn
Inclusief onderwijs vraagt om lef, creativiteit en samenwerking, maar ook om het durven aangeven van grenzen. Niet elke school kan alles. “Gebouwen zijn soms beperkt, groepen zijn groot en het lerarentekort speelt mee. Een school moet reëel blijven over wat wel en niet kan. Dat is geen falen,” vertelt Ewout. “Dat is eerlijk zijn. Een kind moet gelukkig zijn. Als dat niet lukt, moeten we samen kijken wat wel mogelijk is.”
We doen meer dan we denken
SpringWijs heeft al mooie stappen gezet richting inclusief onderwijs. Daarnaast benadrukt Ewout dat binnen andere Librijn-scholen ook al veel gebeurt. Soms zelfs meer dan iedereen doorheeft. Hij noemt het Montessorionderwijs als voorbeeld, maar ziet dat op heel veel scholen kinderen met uiteenlopende ondersteuningsbehoeften worden opgevangen en begeleid. “Als je alles naast elkaar zou leggen, zie je pas hoeveel we al doen. Daar mogen we best bij stilstaan.”
“Een kind moet gelukkig zijn. Als dat niet lukt, moeten we samen kijken wat wel mogelijk is.”
Blik op de toekomst
Als Ewout vooruitkijkt, hoopt hij dat er meer kinderen vanuit het SBO kunnen terugkeren naar een reguliere school. “Ook zie ik kansen voor wijkgerichte samenwerking: scholen die samen ondersteuning organiseren, expertise delen of ruimte bieden. Niet omdat kinderen moeten verhuizen van school, maar omdat je de krachten bundelt. Dat maakt nabij onderwijs realistischer en gelijkwaardiger.”
Inclusief onderwijs is volgens Ewout geen eindplaatje, maar een manier van blijven kijken. “Je mag trots zijn op wat al goed gaat,” vindt hij. “En ondertussen blijf je zoeken naar mogelijkheden. Dat doen we met elkaar.”